Leven in Israël is feestvieren met Israël. Daar kun je met geen mogelijkheid onderuit. Het is trouwens de vraag of je dat moet willen. Ervan leren kunnen we hoe dan ook.

De gemiddelde Israëliër brengt een aanzienlijk deel van deze periode van het jaar door met feesten. Het ene feest is op de kalender nog niet afgestreept of de voorbereidingen voor het volgende feest zijn alweer in volle gang. Het begon vlak na onze aankomst in Israël met Pesach. Dit is een van de drie grote Joodse feesten.

De periode van 49 dagen na Pesach heet volgens de joodse kalender de Omertijd. Gedurende deze periode leven de Joden toe naar het volgende grote feest: het Wekenfeest (Shavuot). Het Wekenfeest krijgt in het Oude Testament vooral een agrarische invulling (zie Lev. 23:15-21). Het is een oogstfeest waarop de eerste vruchten van het land worden geschonken aan God. In de synagoge wordt met reden het Bijbelboek Ruth voorgelezen. Ruth en haar schoonmoeder arriveerden immers in Israël tijdens de gersteoogst (Ruth 1:22).
Het rabbijnse jodendom heeft de betekenis van het Wekenfeest in later tijd verrijkt. Volgens Exodus (Ex. 19:1, vgl. Ex. 12:1 en 6) ontving het Joodse volk exact zeven weken (49 dagen) na de uittocht uit Egypte -en dus na de viering van Pesach- de wet op de Sinaï. De gave van de Torah laat een Jood uiteraard niet ongemerkt voorbijgaan. Ofwel, reden voor een feest.

Tijdens een zeven weken durende voorbereidingsperiode bereidt het Joodse volk zich intens voor op de gave van de Torah. Dagelijks wordt een speciale zegening uitgesproken. Sommige mannen scheren zelfs hun baard niet als teken van toewijding aan God.
De voorbereidingsperiode wordt onderbroken door Lag BaOmer (de 33ste dag van de Omertijd). Over de herkomst van dit feest wordt verschillend gedacht. Vooral jongeren grijpen hoe dan ook dit moment aan om een mooi feestje te bouwen. Op een braakliggend terrein achter ons huis brandden de hele nacht vuurtjes. Uit de hele wijk kwamen jongelui aangelopen met winkelwagentjes volgeladen met hout. Het was hoorbaar een gezellige boel. De winkelwagentjes staan trouwens nog steeds naast de hopen zwartgeblakerd hout…

De avond voorafgaand aan het daadwerkelijke Wekenfeest brengen veel religieuze joden studerend door in de synagoge. Deze gewoonte heeft men te danken aan nalatigheid van het voorgeslacht. Volgens de joodse traditie heeft het Joodse volk zich verslapen op de dag dat God de Torah afkondigde op de Sinaï. Ter compensatie wordt die nacht tegenwoordig studerend doorgebracht in de synagoge.

Het Wekenfeest beïnvloedt de samenleving diepgaand. In supermarkten zijn speciale schappen ingericht met producten die traditioneel tijdens het Wekenfeest veel worden gegeten (o.a. kaas, kwark en vruchten). Er wordt een dubbele sabbat gehouden. En op scholen worden speciale voorstellingen gehouden. Ter voorbereiding hierop leren kinderen gedeelten uit onder andere het Bijbelboek Ruth uit hun hoofd. Op de laatste schooldag voor het Wekenfeest is er op veel scholen een viering samen met de ouders.

Joden houden van feesten, zoveel is ons inmiddels wel duidelijk. Een nuchtere calvinist staat soms wat te kijken van de uitbundigheid waarmee Israël stilstaat bij de mijlpalen op de Joodse kalender. Tegelijkertijd is de feestelijkheid aanstekelijk. En dan bedoel ik niet het maken van een kampvuurtje. Het maakt indruk op de ‘vreemdeling’ om te zien en te horen dat een heel volk tegelijkertijd God looft en prijst. ‘Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. (…) En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE.’ (Deut. 16:10-11) Dit voorschrift heeft de Jood goed begrepen. In hoeverre is de viering van onze feesten een getuigenis voor de buitenwereld?